|
Bigi-yari Volgens
Surinaamse gewoonte wordt bij een bigi-yari (een kroongetal 10, 20, 30, 40, 50, 60, 70, 80, 90, 100 jaar),
meestal feestgevierd. De jarige kleedt zich om het feest te beginnen in een heel
deftige koto met proisi angisa of pauwtere. Zij draagt een 'Eri Stel', dat is de
koto, jaki en de hoofddoek van dezelfde stof. Er wordt ook vaak kant gebruikt
voor deze gelegenheid. Als er witte kant gebruikt is, wordt de onderrok in de
kleur die past bij de leeftijd, eronder gedragen.
Er
zijn kleuren voor bepaalde leeftijden Bij
30 jaar - Groen Bij 40 jaar - Rose Bij 50 jaar - Geel Bij 60 jaar
- Lila Bij
70 jaar - Bruin met Creme of Bordeaux met Creme Bij
80 jaar - Blauw, Grijs of Blueblack
Kotomisi
Vandaag
de dag noemen wij iedere vrouw die in koto verschijnt een kotomisi. Vroeger werd je pas koto-misi (rok-juffrouw) genoemd als je de
klederdracht in de meest verzorgende vorm droeg. Zij was het die in 'min of meer'
goeden doen, zich puik wist te kleden, aan haar kleding en opschik veel zorg
bestede en zelfs schoenen droeg. Werd echter bij overigens gelijke kleding de
voorkeur eraan gegeven om op blote voeten te lopen, dan sprak men van een 'koto-soema'.
Het aankleden van de koto-misi is een kunst, die
niet te onderschatten is. Vroeger had men onder de koto en jaki heel wat
ondergoed, te weten een lefi (onderlijfje), een flanellen hemd met in
figuurtjes uitgeknipte mouwen, een katoenen hemd, vaak op de hand geborduurd of
van kant borduursel voorzien, een broek met vier linten, daarover heen een of
twee pangi's, tot slot een of twee onderrokken. De onderrok wordt onder de
borsten vastgebonden met een tot driehoek gevouwen hoofddoek of een band. Nu
komt de koto daar overheen.
Een nette koto rijkt tot de voet, een werkkoto
tot de helft van het been. Om de goede lengte te bepalen wordt de rokband tussen
de tanden genomen. De rok is zeer wijd, kan 2 tot 3 banen van de stofbreedte
zijn. De koto en de jaki moeten zeer veel stijfsel hebben, dit voorkomt het
smoezelig worden, terwijl de plooien dan ook goed hangen. De koto moet aan de
bovenkant gerimpeld worden en op maat met een rokband worden vastgezet, terwijl
aan de voorkant een opening is. De rok heeft geen zoom, maar een tegenzoom (stootkant)
van ongeveer 30 cm.
Betekenis van de koto
De Koto-misi is in staat met haar klederdracht
een geheime taal te spreken. De hoofddoek die zij opzet en die hoort bij de
dracht kan haar gemoedstoestand uitdrukken.
Aan de jaki
zitten twee linten die vroeger gebruikt werden, maar later een andere betekenis
kregen, doordat zij toen een taal gingen spreken. De jaki linten worden als een
harmonica gevouwen. Worden zij tot de helft gevouwen dan is zij geen vrije vrouw
en heeft dus een man. Is het lint gedeeltelijk gevouwen, een gedeelte vrij, en
weer een gedeelte gevouwen dan heeft de draagster wel een man, maar zij meldt
dan dat hij ver weg is.
Over een van de schouders wordt een tapuskin
pangi gedragen. Draagt de kotomisi die over de rechterschouder, dan
wil zij daarmee te kennen geven dat zij haar hart nog niet verpand heeft. Over
de linkerschouder meldt zij, dat zij niet vrij is. De tapuskin pangi kan ook
halfstok gedragen worden, over de schouder en geknoopt in de zij. Dus is de
pangi over de linkerschouder, dan wordt deze in de rechterzij geknoopt. Dat is
een teken van rouw. Over beide schouders en van voren met de rechte zijden tegen
elkaar is diepe rouw.
Aan de dracht van de kotomisi kon men zien of ze
naar de markt, de kerk, of een feest gaat. Er zijn nog enkele oude koto's met
zeer toepasselijke namen. Wil de kotomisi iets zeggen, dan draagt ze een van de
oude koto's. Klik hier voor de verschillende
koto's
|